Een spa blauwtje gelopen

Ze vroeg†me hoe oud ik haar schatte. Haar overduidelijke kraaienpootjes vertelde me dat ze de dertig reeds enkele jaren was gepasseerd. Ik antwoordde dat ik haar ongeveer zesentwintig zou schatten. Als mijn vader Gepetto had geheten dan had ik zeker met mijn neus haar drankje, dat op de bar stond, omgestoten. De dame in kwestie vatte het echter niet als leugen op. De filosofie heeft de mens weleens omschreven als een rationeel dier. Zij was het bewijs van deze theorie. Iedere rationaliteit was door een klein leugentje voor mijn bestwil verdwenen. Als een loops teckelteefje stond ze nu aan de bar. Althans, dat dacht ik. In werkelijkheid was bij mij alle rationaliteit verdwenen. Het flesje wijn had mijn geest vertroebeld. Ik kan niet zo goed tegen druiven denk ik.

“Je zou het niet zeggen, maar ik ben drieŽndertig,” zei ze terwijl ze aan het glunderen was als een kind uit een Haribo-reclame. Ik loog dat ze er inderdaad een stuk jonger uitzag dan dat ze in werkelijkheid was. Een glasharde leugen, want haar gezichtje was niet zo heel erg jeugdig meer. Daar kon zelfs L’Orťal niets meer aan doen. Alhoewel ze het wel meer dan waard was. Ondanks haar leeftijd zou ik verdomde graag een beschuitje met haar hebben gegeten. Ze was conrector op een middelbare school en gaf daarbij tien uur in de week gymnastiek. Vooral op dat lesgeven leek ze trots te zijn. Ik vond tien uur wel erg weinig zo liet ik haar weten. “Tien uur? Dat zijn twee goede potten apenkooien,” zo bagatelliseerde ik haar ‘gymjufschap’.† Ze lachte net iets te overdreven en vroeg me naar mijn leeftijd en leven. Het was niet slim van me om de leiding in het gesprek uit handen te geven. ‘Wat denk je,’ was het meest domme dat ik kon zeggen.

Ze dronk in een teug haar wijnglas leeg en stak van wal. “Waarschijnlijk studeer je nog…..je komt hier al heel lang, hŤ?” Ze keek me even aan. Waarschijnlijk ter bevestiging, die ze vond in mijn lichaamstaal. Ze ging verder met haar analyse. “En je denkt dat je mij kunt versieren door me jonger te schatten dan ik ben. Schattig, maar dat gaat je helaas niet lukken.” Conrectors. Ik had beter moeten weten. Die lui hebben me nooit goed gelegen. Ze gaf me een zoen op mijn wang en bleef even voor me staan. Ik wilde haar complimenteren met haar analyse, maar wist niet veel meer te zeggen dan: “nou…nou, nou.” Ik moet hebben gekeken als Frank de Boer die tijdens het doen van een grote boodschap een sudoko probeert op te lossen. “Fijne avond nog Pinoccio.” En weg was ze.

Ik bestelde een ‘spa blauwtje gelopen.’ Degene achter de bar informeerde naar aanleiding van deze bestelling naar mijn gezondheid. Ze maakte zich duidelijk zorgen. Het duurde dan ook niet lang of er stond een SchrobbelŤr voor mijn neus. Omdat je een gegeven drankje niet in het glas mag kijken, dronk ik met haar mee. Onder protest, dat wel. Ik genoot daarna van het verhelderende flesje water. Een ‘Eureka!-moment’ bleef uit, maar ik kon tenminste weer normaal denken. Toen de kersthit van Mariah werd gedraaid en ik iedereen daarop† oprecht los zag gaan, besloot ik mijn bedje op te gaan zoeken. Onderweg naar huis kwam ik een vriend tegen, die ook van het druivensap had gedronken alvorens we richting stad waren gegaan. Hij zat bij een opengebroken weg een zandkasteel te bouwen. Dit was wederom een bevestiging van de wijsheid: ‘als de wijn is in de man, is de wijsheid in de kan.’ De druif is een gemene vrucht.