De illusie die Sinterklaas heet

Buiten is het absoluut teringweer, binnen staat de verwarming vol aan en worden uit volle borst telkens dezelfde zes liedjes ten gehore gebracht uit een handvol gespannen kinderkeeltjes. De warme chocolademelk complementeert de overvloed aan pepernoten en suikergoed en buiten zie je de ene na de andere sint voorbijwandelen.
Ja, het is sinterklaas. Pakjesavond. Vol verwachting klopt ieders hart en ook als volwassene is het toch altijd weer een spannende avond. Deels omdat je herinneringen aan je jeugd ophaalt, deels omdat je kinderen enorm gespannen zijn en deels omdat je eigenlijk nog in de goedheiligman zou willen geloven.
Ik bedoel; wie wil er geen pakjes? Wie wil er niet bij de goeie Sint op schoot zitten en te horen krijgen dat hij zoet is geweest, maar soms een beetje ondeugend?

Ik kan me weinig uit mijn jeugd helder voor de geest halen, vraag me niet waarom. Wat ik me nog wel voor de geest kan halen echter zijn de Sinterklaasavonden. De hele familie bij elkaar, wachtend op Sinterklaas of - als de Sint niet persoonlijk langskwam - op het gebons op de deur. Dat was dan zwarte Piet en die liet altijd een grote jute zak met kadootjes achter. Heerlijk hoe gespannen je dan als kind was, samen met je neefjes en nichtjes. Weken van spanning, van paniek en van huilen als op tv weer eens bleek dat er geen kadootjes zouden zijn dat jaar. De ontlading van wekenlange verwachting, de spanning van de hele periode en de avond in het bijzonder en de euforie van het uitpakken van de vele kadootjes. Geweldige herinneringen.

Pas jaren later vallen de puzzelstukjes op hun plek. Er was altijd toevallig iemand net even de kamer uit op het moment dat Piet op de deur bonsde. Papa, mama, een oom of tante, maar hoe dan ook, er ontbrak altijd iemand en als kind zag je dat eenvoudigweg niet, wilde je het niet zien, danwel weigerde je te geloven wat je zag. Je wil als kind immers in Sinterklaas geloven, zelfs nadat je een kadootje in je schoen krijgt die je de dag ervoor nog in een keukenkastje zag liggen. Zelfs als kinderen uit hogere klassen je de hele dag vertellen dat Sinterklaas niet bestaat. Zťlfs niet als bij de Sint die op school langskomt blijkt dat er onder zijn witte baard nog een rode baard zit, hij er een stuk jonger uitziet dan de Sint op televisie, hij een compleet andere stem en accent heeft en hij een of andere rare toga aanheeft die in de verste verte niet lijkt op het gewaad dat de Sint draagt. Je accepteert klakkeloos dat het 'een hulpsinterklaas' is, terwijl je als kind van vijf of zes al prima in staat bent in te zien dat daar geen kont van klopt.

Sinterklaas is als een goochelaar of illusionist. Je wťťt dat je genept wordt, maar de illusie maakt dat je ervan kunt genieten. Waarom zijn wij volwassenen wel in staat de illusie van de goochelaar te appriciŽren, maar doen we lacherig over Sinterklaas? Waarom zouden we niet gewoon met z'n allen geloven in Sinterklaas? Wij, als volwassenen. Gewoon net als een kind diep van binnen WETEN dat je genept wordt, maar daar omwille van de pret, de spanning en de hele sfeer gewoon royaal schijt aan hebben? En zullen we volgens jaar gewoon allemaal ons schoentje weer zetten en sinterklaas kapoentje zingen? Of wil je soms geen lekkers?